De vader en de omgangsregeling

Kinderen wonen na een echtscheiding meestal bij hun moeder.

Een deel van de ouders regelt tegenwoordig na de scheiding een co-ouderschap, waarbij kinderen afwisselend bij beide ouders wonen. Zij kunnen echter maar op één adres worden ingeschreven, en dat is dan vaak bij de moeder. In 2013 zorgde 22 procent van de gescheiden paren in coouderschap voor de kinderen. (zie CBS: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/24/bijna-twee-opde-tien-kinderen-wonen-niet-bij-vader).

Omdat de kinderen meestal hun hoofdverblijf krijgen bij de moeder zijn de omgangsregeling en andere aanverwante rechten die de niet verzorgende ouder toekomen, vooral van belang voor de vader.

Bij echtscheiding kan de rechter onder andere een voorziening treffen over de verdeling van de zorgen opvoedingstaken, over het hoofdverblijf van of de omgang met de kinderen en over de informatie en raadpleging over de kinderen. De voorgaande voorzieningen worden tegenwoordig doorgaans opgenomen in het ouderschapsplan.

Verder is in het Burgerlijk Wetboek het omgangs- en informatierecht geregeld:

– Het kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene tot wie hij in een nauwe en persoonlijke betrekking staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind;

– De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

De ontzegging vindt uitsluitend plaats indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of de ouder kennelijk ongeschikt is of niet in staat moet worden geacht tot omgang of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Tot slot heeft een kind van twaalf jaar of ouder ten deze het recht om gehoord te worden. Indien een kind bij zijn verhoor dan laat blijken ernstige bezwaren te hebben tegen omgang dan kan de rechter ook beslissen tot een ontzegging van de omgang.

Dus alleen de rechter kan omgang ontzeggen en hiervoor zal een gerechtelijke procedure gevoerd moeten worden. Ontzegging zal niet snel worden uitgesproken. Probleem daarbij is ook dat het vaak moeilijk is vast te stellen of de ouder die de ontzegging verzoekt volledig de waarheid spreekt en of de situatie werkelijk zo ernstig is als wordt aangedragen. U zult begrijpen dat beslissingen die hierover door de rechter genomen moeten worden niet gemakkelijk zijn. Niet zelden wordt dan ook de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld die dan een onderzoek instelt en aan de hand daarvan na verloop van vaak enkele maanden een rapport met conclusies en advies uitbrengt.

Mocht de rechter uiteindelijk wel een ontzegging uitspreken, dan zal dat in veel gevallen voor bepaalde tijd zijn. Verder kan bij een ontzegging wel verzocht worden om een proefomgangsregeling en kan na verloop van tijd bij gewijzigde omstandigheden altijd weer om omgang worden verzocht.

Indien de vader of de niet verzorgende ouder het gezag heeft over zijn kind dan kan hem niet voor onbepaalde tijd omgang (in de wet staat contact) met zijn kind worden ontzegd.

De biologische vader

Hiervoor is de meest voorkomende situatie besproken namelijk die waarin de vader zijn kind heeft erkend. In die gevallen is de biologische vader door erkenning de juridische vader.

Maar het is ook mogelijk dat de biologische vader zijn kind niet heeft erkend en dan na enige tijd toch omgang wenst met zijn kind.

Op grond van artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kan de biologische vader, ook al heeft hij zijn kind dus niet erkend, toch recht op omgang hebben met zijn kind. Aangetoond zal dan moeten worden dat hij tot het kind in een bepaalde betrekking staat die aangemerkt moet worden als family life. Hiervoor zal moeten worden aangetoond dat er een nauwe persoonlijke band tussen vader en kind bestaat of heeft bestaan. Het enkele feit dat de vader het kind heeft verwekt is daarvoor onvoldoende. Voor het aantonen van deze band is van belang of de biologische vader en de moeder langere tijd in gezinsverband hebben samengeleefd. Daarnaast is de frequentie van de contacten van belang en kunnen andere feiten en omstandigheden een rol spelen.